Zo werd ik een Strijder

Ooit rende ik weg van angst
en deed dus precies wat angst me zei.
Tot ik leerde om angst teder vast te houden, als een pasgeboren baby.
Ernaar te luisteren, maar er niet in mee te gaan.
Het te eren, maar niet te vereren.
Angst kon me niet langer tegenhouden.
Ik begaf me vol moed in de storm.
Ik heb nog altijd angst,
maar angst heeft mij niet meer.

Ooit was ik beschaamd voor wie ik was.
Ik nodigde schaamte uit in mijn hart,
en liet het daar branden.
Het vertelde me: “Ik probeer alleen maar
jouw kwetsbaarheid te beschermen.”
Ik bedankte schaamte met heel mijn hart,
en stapte toch het leven binnen,
onbeschaamd, met schaamte als mijn geliefde.

Ooit had ik veel verdriet
begraven diep vanbinnen.
Ik nodigde het uit om te komen spelen.
Ik huilde oceanen vol. Mijn traanbuizen droogden op.
En precies daar vond ik plezier.
In de kern van mijn verdriet.
Het was mijn gebroken hart dat mij leerde om lief te hebben.

Ooit piekerde ik veel.
Mijn verstand wist niet van ophouden.
Gedachten werden maar nooit stil.
Dus probeerde ik ze niet langer het zwijgen op te leggen.
En ik sprong uit mijn verstand,
naar de aarde.
Naar de modder.
Waar ik houvast vond,
krachtig als een boom, onwrikbaar, veilig.

Ooit brandde woedde in de diepte.
Ik vroeg woede om in mijn licht te stappen.
Ik voelde zijn schokkende kracht.
Ik liet mijn hart bonken en mijn bloed koken.
Luisterde ernaar, eindelijk.
En het schreeuwde: “Sta op voor jezelf, nu!”
“Deel je waarheid met passie!”
“Zeg nee, als je nee bedoelt!”
“Bewandel je pad vol moed!”
“Laat niemand voor jou spreken!”
Woede werd een dierbare vriend.
Een eerlijke gids.
Een prachtig, wild kind.

Ooit sneed eenzaamheid diep door mijn hart.
Ik probeerde mezelf te sussen en te verdoven.
Rende naar mensen en plaatsen en dingen.
Deed zelfs alsof ik ‘gelukkig’ was.
Maar al snel kon ik niet verder rennen.
En ik tuimelde recht in het hart van eenzaamheid.
Ik stierf en werd herboren
prachtig alleen en intens kalm.
Met alle dingen verbonden.
En zo was ik niet meer eenzaam, maar alleen met al het leven.
Mijn hart één met alle harten.

Ooit rende ik weg van lastige gevoelens.
Nu zijn ze mijn adviseurs, vertrouwelingen, vrienden,
en hebben ze allemaal een plaats in mij,
en horen ze er thuis, waardig.
Ik ben gevoelig, zacht, breekbaar,
mijn armen koesteren al mijn innerlijke kinderen.
En in mijn gevoeligheid, kracht.
En in mijn breekbaarheid, een onbetwistbare aanwezigheid.

In de diepte van mijn wonden,
In wat ik ‘duisternis’ noemde,
vond ik een oogverblindend licht
dat me leidt in de strijd.

Ik werd een strijder
toen ik me omkeerde naar mezelf.

En begon te luisteren.

.

Door Jeff Foster – Vertaald door Nina Bien

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *