Uitgeblust

Stel je voor dat je werkt voor een baas, die ontzettend streng is voor je. En hij is niet alleen je baas, maar ook een goede jeugdvriend van je. Altijd deden jullie alles samen, en zover je herinneringen teruggaan zijn ze met hem erbij. Jullie waren onafscheidelijk, jullie voelden elkaar perfect aan, werkten vloeiend samen. Een echt team. Maar jullie zijn uit elkaar gegroeid. Hij kreeg kansen die jij niet kreeg. Nu werk je voor hem.

En je werkt ongelooflijk hard. Keer op keer word je gevraagd om nog wat harder je best te doen, nog een tandje bij te schakelen, even nóg iets langer door te gaan. “Kom op, dit móet nu even, rusten kan later wel!”

“Kom op, dit móet nu even, rusten kan later wel!”

Ja, praten kan hij wel, die baas van je. En vanwege jullie vroegere hechte vriendschap durf je je eigenlijk ook niet zo goed tegen hem uit te spreken, en doe je maar weer wat er van je geëist wordt. De beloofde beloning blijft telkens weer uit – “later” wordt er steeds gezegd. Wanneer dat is weet je niet. Als je baas het tegen anderen al over jou heeft, gaat het altijd over wat je niet goed kan, over dat je er blijkbaar niet goed genoeg uitziet en over de keren dat je het moest laten afweten, omdat het echt niet meer ging.

Doordat je onafgebroken zo hard werkt, gaan de machines en materialen die je nodig hebt om alle opdrachten van je baas uit te kunnen voeren, namelijk steeds weer kapot. In het begin zijn het kleine mankementjes die vrij snel hersteld zijn; geen reden om dit uitgebreid bij je baas uit de doeken te doen, je handelt dat gewoon zelf af. Hij heeft het al zo druk.
Maar met en met wordt de slijtage groter, en gaan er steeds vaker dingen kapot. Soms komt het werk dan zelfs even stil te liggen, en dan weet je baas je opeens wél te vinden, om jou te vertellen dat deze vertraging echt uit den boze is! Hoe durf je! Maar als je voorzichtig protesteert dat je telkens veel te weinig tijd krijgt om zelfs de meest broodnodige reparaties uit te voeren, omdat er altijd maar weer meer en meer werk wacht, krijg je te horen dat je niet teveel moet zeuren, maar gewoon nog even door moet werken.

Eenzelfde soort reactie krijg je als je aan probeert te kaarten dat er een chronisch gebrek is ontstaan aan goede materialen om je werk te kunnen doen. Om het over de materialen die nodig zijn voor de reparaties nog maar even helemaal niet te hebben. Steeds hetzelfde antwoord: dat die materialen “later” wel komen. Dat het nú echt even belangrijker is om alles op alles te zetten om te blijven draaien.
Voor eten heb je ook nauwelijks tijd. Af en toe een snelle hap, meer tijd wordt je niet gegund. Maar ja, het weinige voedsel dat er wel is, is ook zo slecht van kwaliteit dat je er niet zoveel aan mist. Soms maakt het slechte voedsel je zelfs ziek, en dan ben je nog verder van huis! Je bent sowieso vaak ziek, want de vermoeidheid en stress eisen natuurlijk hun tol. Maar rust nemen is er nooit bij, want je kunt toch geen werk laten liggen..?
Straks, als het wat rustiger is, als de druk wat van de ketel is. Dan zul je de tijd krijgen om te rusten, om te eten, om de kapotte en vastgelopen machines te repareren. Tot die tijd is het gewoon even doorbijten. Nog één dagje langer, dat lukt altijd wel, toch?

Nog één dagje langer, dat lukt altijd wel, toch?

Maar op een dag… wordt alles zwart. Je weet niet goed wat er aan de hand is. Je komt niet meer van je plek. Het lijkt wel of je verlamd bent! Daar komt je baas… je wil graag net doen alsof alles in orde is, maar dat gaat gewoon niet meer. En jeugdvriend of niet, hij gaat gigantisch tegen je tekeer. Denkt dat hij je nog wel íetsje harder kan pushen, om in elk geval die superbelangrijke klus van vandaag nog af te krijgen! Daarna is het echt tijd voor rust, belooft hij! En het klinkt warempel nog of hij het meent ook. Maar het maakt niet meer uit. Je kan niet meer. Kan. Niet. Meer. Je bent op, meer dan op, leeggeplunderd.

Je baas begrijpt eindelijk – eindelijk! – wat er aan de hand is. Dat er wél een grens zit aan jouw inzet, en dat die nu echt dik overschreden is. Hij beseft nu pas hoe loyaal je al die jaren bent geweest, zonder de beloningen die je telkens voorgespiegeld werden, maar die altijd weer uitbleven. Hij was er wel dankbaar voor, echt waar, maar hij nam zich nooit de tijd en de moeite om dat te laten merken. Hij was veel te druk met al die andere dingen, die dingen die móesten. Hij heeft jarenlang roofbouw gepleegd.
Je baas – je oude vriend – begrijpt het nu. Er kán niet meer gewerkt worden, zelfs geen héél klein beetje. Ook al de reparaties zullen moeten wachten, een andere mogelijkheid is er gewoon niet.

En nu, op de bodem van deze allerdiepste put, heb je voor het eerst in jaren het gevoel dat er weer naar je geluisterd wordt.

En nu, op de bodem van deze allerdiepste put, heb je voor het eerst in jaren het gevoel dat er weer naar je geluisterd wordt. Dat je je jeugdvriend terug hebt, en dat jullie weer een team zijn. Jullie gaan weer samen verder, maar eerst moet je vriend jou een tijdje vergezellen in deze duistere put, voordat jullie er samen weer uit kunnen klimmen. En daarna wil je rust, veel rust, en goed voedsel. Zo zul je langzaam weer herstellen – heel langzaam, want al je bronnen en voorraden zijn compleet uitgeput. Bij de minste inspanning staan je meters alweer in het rood. Hopelijk begrijpt je vriend dit ook!
En hopelijk onthoudt hij, ook als het straks weer beter gaat, waar het fout gegaan is… hopelijk gaan dingen nu echt anders worden.

Wat voor een baas ben jij voor je lichaam?

Is er misschien iets dat jij nu kan doen om jouw lichaam het vertrouwen (terug) te geven dat je ervoor zorgt, dat je luistert naar zijn signalen en hem dankbaar bent voor zijn inspanningen?

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *